De aanvang van de verjaringstermijn bij onverschuldigde betaling.

In dit artikel wordt het arrest De Leeuw/Pinoccio van 3 juni 2016 besproken, het sluitstuk van een reeks langdurige procedures tussen Momus II Maastricht B.V. (hierna Momus ) en Bierbrouwerij De Leeuw.

Het belang van het arrest is erin gelegen dat de Hoge Raad een duidelijke uitspraak heeft gedaan over de aanvang van de verjaringstermijn van een vordering op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203). De verjaring van een dergelijke vordering is geregeld in artikel 3:309 BW, dat als volgt luidt:

Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.

Meer in het bijzonder heeft de Hoge Raad de vraag beantwoord of de verjaringstermijn in geval van de vernietiging van een vonnis op grond waarvan langer dan vijf jaar voor die vernietiging betalingen zijn verricht, al begint te lopen op het moment van de betalingen zelf, of pas op het moment van de vernietiging. In het eerste geval zou een deel van de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde huurpenningen zijn verjaard, in tegenstelling tot wanneer men het tweede ontstaansmoment tot uitgangspunt neemt.

Gerelateerde blogs

Artikel

Bankgarantie waardeloos na faillissement van huurder?

De bankgarantie die een verhuurder heeft lijkt nog maar weinig waard na faillissement van de huurder van onroerend goed. Dit volgt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad van 14 januari 2011. In dit artikel bespreken we de gevolgen van deze uitspraak voor de vastgoedsector. Dit artikel is gepubliceerd door Vastgoed Journaal.